Meebewegend geld en legitimiteit zonder raadsbesluit

Een lezing voor de 'branche-organisaties' van het lokaal bestuur

In september 2014 kwam een gezelschap bijeen met mensen van de VNG, KING, en de landelijke verenigingen van raadsleden, wethouders, burgemeesters, GS-en en griffiers en het ministerie van BZK. Het doel? Verkennen wat hun gezamenlijke opdracht is voor het versterken van het lokaal bestuur.

Ik hield daar een van de drie inleidingen. Over het samenspel tussen burgers met een forse dosis burgerkracht en een gemeentebestuur. Lees mijn verhaal.

“Ik schets u een een lunch bij een gemeentebestuur. Aan tafel: leuke, betrokken wethouders. Een burgemeester die begrijpt hoe belangrijk het is om aan te sluiten bij de energie in de samenleving. Een gemeentesecretaris met visie en een ambtenaar met een ambitieuze opdracht. En twee bestuursleden van een groot burgerinitiatief. Op zoek waren we hoe wij ons contact konden verbeteren. De wethouders zochten naar verbeteringen in hun eigen werk als wethouder, en zochten ook naar knoppen om in de gemeentelijke organisatie te kunnen draaien.

Het gesprek was open en goed. Maar in een notendop zagen we daar ook een aantal dingen langskomen die mis gaan in het contact tussen het stadhuis en actieve burgers. Kleine incidentjes, die staan voor de stappen die we nog moeten zetten in het lokale bestuur om toekomstbestendig te zijn.

De eerste was de wat koele ontvangst. De aanwezige wethouders konden niet verbergen dat ze een beetje teleurgesteld waren over onze opkomst. We waren met zijn tweeën. Het was een doordeweekse dinsdag, de lunch was om 12 uur.

Veel vrijwilligers hebben nu eenmaal een baan naast hun werk.

De tweede was een wethouder die zei: ‘Als jullie met een briljant plan komen, dan ben ik de eerste om te helpen om dat plan te realiseren!’ Maar het gaat natuurlijk helemaal niet om briljante plannen – natuurlijk ga je daarmee verder. Lijkt me nogal raar om dat niet te doen, als wethouder.

Het gaat nou juist om plannen van inwoners die misschien maar net-aan even goed zijn als de plannen die in het gemeentehuis tot stand zijn gekomen. Of misschien niet eens passen binnen je beleid.

Maar die je, als gemeentebestuur, dan toch heel zwaar kunt laten wegen, domweg omdát ze in de samenleving zijn ontstaan.

En tot slot was daar het gesprek over een boek dat dit burgerinitiatief ooit maakte over de pleinen in de binnenstad, hun ontstaan, en gebruik nu, en hoe die beter konden.

Ik vertelde dat we het best jammer vonden dat daar in de plannen voor de binnenstad van de jaren daarna nooit iets zichtbaar mee was gedaan, terwijl er toch 3 (!) wethouders naast elkaar staand het boek in ontvangst hadden genomen en gezegd hadden ‘dat ze er iets mee gingen doen’.

Dat ging de aanwezige ambtenaar te ver.

Hij riep uit:

‘Ja, maar wij zijn er toch niet om te doen wat búrgers willen?’

En dat, mensen, is in een notendop waar deze verandering over gaat.

  • Het gaat over mensen die een baan hebben naast hun werk voor de gemeenschap.
  • Het gaat over de ruimte voor het ambtelijk apparaat om met u mee te veranderen en net als u ‘te doen wat búrgers willen’.
  • En het gaat om legitimiteit die ontstaat in de samenleving, en hoe we die meer laten meewegen.

Eerst maar eens over dat vrijwilligerswerk en die baan ernaast

Dat gaat natuurlijk over geld. Want als je huur kon betalen met burenliefde, dan was er geen probleem. Met geld en goed doen hebben we in Nederland een rare verhouding. In elk geval is daar de gedachte dat non profit betekent: zonder geld.

Daar komt ook veel van die doe-democratie vandaan, is mijn overtuiging! We gingen niet langer eindeloos polderen, maar het “gewoon doen”. Want als je iets wilt in het publieke domein, dan kun je beter maar “gewoon beginnen”. Mééstal gaat dat dan over het niet wachten op publiek geld.

Zonder geld doen, dus, maar met energie, expertise en heel, heel veel vrije tijd.

En daar komen prachtige dingen uit. In mijn eigen stad alleen al: van zorgnetwerk tot singelpark en burgerschapsweek, van wijkvitalisering tot pop-up-galerie. Allemaal op energie, ideeën en veel, heel veel vrije tijd. En daar is niets mis mee! De ene trekt de strepen bij de voetbal, de ander denkt een park uit – allemaal voor je eigen buurt, stad, gemeenschap. Prachtig – en nog leuk ook.

Maar als we iets willen waar we op kunnen voortbouwen, en niet steeds alles pop-up willen — want daar hoort ook pop-down bij — als we soms ook iets voor langere tijd zoeken, met wat duurzaamheid, dan kan dat niet zonder geld.

Er staan dan twee belangrijke dingen te doen.

  1. De initiatiefnemers moeten beter worden in geld binnenhalen. En ze moeten dat eerder doen dan nu.

Wat er nu vaak gebeurt, is dat mensen een initiatief starten, zich daarvoor helemaal de tandjes werken, in vrije tijd, en als ze totaal op zijn, maar het project wel echt goed is, niet meer de energie hebben om fondsen te werven. Dan kloppen ze amechtig bij de gemeente aan. Die ook geen geld heeft. Zeggen ze in elk geval. En dan is het initiatief dood.

Wij van het initiatief moeten dan ook veel beter worden in geld mobiliseren, in bedrijven en fondsen aan ons binden, in het duurzaam maken van onze plannen door ze ook rendabel te maken, met klanten bijvoorbeeld. We moeten ons realiseren dat we niets goeds kunnen doen, als er geen geld voor is. Of voor over is. Daar loop je op leeg.

Maar… als initiatiefnemers dat dan gaan doen, dan moet het bestuur ook iets doen.

  1. Gemeente-bestuurders en ambtenaren moeten zich realiseren dat non profit betekent dat er wel degelijk geld verdiend wordt door mensen.

Alleen dat er geen winstoogmerk is. We moeten dus nieuwe vormen vinden om om te gaan met deze sociale ondernemers. In aanbestedingen, maar ook in de houding van het bestuur. Ga eens na op welke clubs in jullie gemeenschap je stiekem roofbouw pleegt, of waar enorm veel gebeurt zonder geld, of waar ondernemerschap zichtbaar wordt dat echt iets kan worden. Kijk eens of het je lukt om een deel van de grote bedragen die nu, vaak grotendeels op basis van gewoonte, naar de grotere instellingen gaan, te verplaatsen naar die mensen die het nu “gewoon doen”. Omdat je daarmee de vitale samenleving van olie voorziet! (En de wijkeconomie erbij, trouwens.)

Kijk of je die mensen kunt ondersteunen door ze te helpen met fondsen of donateurs werven. Met pr, of met een netwerk, of met een fondsenwerfspecialist van de gemeente.

Of nog beter: geef ze een opdracht, op basis wat ze nu al teweeg brengen en voor elkaar krijgen. Ga geen subsidie verzinnen die dat min of meer ook hoopt los te maken, maar beloon de mensen die het nu  al doen. Wees niet bang om dat verschil te maken. Maak sociaal ondernemerschap mogelijk.

Ja, dat is ingewikkeld. Want realiseer je eens hoe gemakkelijk een gemeente publiek geld uitgeeft in de al bestaande profitsector. Hoe vanzelfsprekend het is om een kabelaar te betalen om glasvezel neer te leggen in de stad. Of hoe logisch het is om een projectontwikkelaar te vragen de planfase eens voor te bereiden.

De gemakkelijkheid daarvan zit hem vaak in de onthechtheid van deze bedrijven met de lokale samenleving. De integriteitsvraag wordt niet eens gesteld als je toch niemand kent bij zo’n bedrijf. Als er drie min of meer identieke landelijk of zelf internationaal operende bedrijven zijn waar je uit kunt kiezen.

Alles van lokale waarde, alles wat uniek of nieuw is, is hier niet alleen weerloos, maar ook nog eens ingewikkeld.

Die ingewikkeldheid moet het lokale bestuur van de toekomst aandurven. Want doen we het niet, dan veronachtzamen we de rol van publieke geldstromen bij het totstandbrenging van een vitale lokale gemeenschap en sociaal ondernemerschap.

Stel je voor dat we het publieke geld in elk geval voor een deel de energie in de lokale samenleving kunnen laten volgen? En dat er dan geen scheve gezichten komen, en uitspraken als ‘O, dus je wilt er gewoon géld mee verdienen?’ En dat betrokken mensen dan ineens een beetje vies lijken. Nee, dit zijn juist de goeie mensen met wie je in zee moet gaan! Want die? Die zijn betrokken en willen er echt werk van maken!

En dan. Die leuke ambtenaren. Die werken voor het bestuur en daarom niet ‘kunnen doen wat búrgers willen!’

Ter verdediging van deze ambtenaren: het lijkt mij af en toe ook knap irritant om een inwoner als ik in je stad te hebben. Die grillige burger, die maar doet waar ze zin in heeft, daar valt ook niet voor te werken als bureaucratie. Daar hebben we het gemeentebestuur voor. Maar hoewel er voor mij niet te werken is, stel ik me wel van alles voor bij dat ambtenarenapparaat van dat toekomstige lokale bestuur.

Wat zou je nu eens kunnen doen om ambtenaren meer ruimte te geven om met actieve burgers samen te werken?

Allereerst: Maak managers niet langer verantwoordelijk voor hun afdeling, maar alleen nog maar verantwoordelijk voor de afstemming tussen hun afdeling en alle andere afdelingen. Voor de interne samenwerking.  Voor de lijntjes in het organogram, niet voor de blokjes. Die blokjes regelen die capabele mensen zelf wel.

Uit: ‘Peopleware’ (1987)

Want de communicatie ‘op de knip’ is waar het nu vaak spaak loopt met plannen in de gemeenschap. Om een leuke initiatiefnemer te citeren: “Ik heb op een gegeven moment de neiging gehad om ons mooie,“integrale” plan, waar 1 + 1 echt meer dan 3 is, weer op te hakken in heel veel stukjes om elk van die stukjes dan te kunnen neerleggen bij de verantwoordelijke ambtenaar. Maar dat doe ik niet, omdat ik dan alle externe partijen juist kwijtraak die wel die samenhang zien. En voor hen is dat de reden om te investeren.”

En twee: stop onmiddellijk met sturen op uren. Hoe verantwoorden we dan wat we doen? Nou, door van ambtenaren te eisen dat ze reflecteren op wat ze doen. In een google doc, voor mijn part. Wekelijks schrijven ze op wat hun voornemens voor de komende week zijn, met wie ze wat van plan zijn, wat ze daarvan willen leren, en wat er van de kleine onderzoekjes en plannetjes van vorige week is gekomen. Actie-onderzoek en actieleren. We verantwoorden wat we doen, maar kwalitatief. Als het de ambtenaar helpt bij zijn reflectie en leren om uren bij te houden: we houden hem niet tegen. Maar als het hem niet helpt om zijn werk beter te doen, dan doen we dat niet.

We gaan op zoek naar nieuwe indicatoren voor goed publiek werk. Niet alleen wat het gekost heeft, maar wat er is gebeurd, dat gaan we proberen veel vaker te monitoren, en niet alleen achteraf in de evaluatie. Veel meer kwalitatief dan kwantitatief onderzoeken en bekijken.

Die nieuwe instrumenten, die ambtenaren zelf, in onderling overleg, en in openheid, bepalen, daar gaat het ook bestuur mee aan de slag. Bottom up dus, in plaats van top down een indicator verzinnen waar mensen op de werkvloer dan gegevens voor moeten gaan bijhouden.

Zo goed en zo kwaad als dat gaat, natuurlijk, maar in de wetenschap dat wat we nu doen, niet alleen vaak nergens op slaat, maar ook administratieve lasten veroorzaakt, en soms perverse prikkels.

Laat iedereen zijn eigen prikkels verzinnen op de plek waar hij die nodig heeft.

En weeg die, praat daarover en leer van elkaar. Zelfsturing en zelforganisatie, heet dat. Dat werkt eigenlijk overal in de natuur.  En het werkt in elk geval heel goed bij de meeste burgerinitiatieven, die een organisatievorm kiezen passend bij wat er te doen staat. Zo werkt dat, in de leefwereld. En ook bij ons worden de rekeningen gewoon op tijd betaald.

En dan kom ik bij het laatste hete hangijzer.

De legitimiteit in de samenleving die zich wil meten met de legitimiteit van het gekozen bestuur.

Als een initiatief wérkt, als mensen zich ermee willen verbinden, als ze er tijd en geld aan willen besteden, als er door het initiatief van enkelen, nieuwe verbanden ontstaan in de samenleving, met mensen die samen hun eigen checks and balances moeten gaan regelen, die afwegingen moeten maken, die elkaar opzoeken. Die, om met Roel in ’t Veld te spreken, een democratische ervaring hebben. Dan heeft dat legitimiteit, zonder dat de voorzitter van de raad er met zijn hamer overheen is gegaan.

Maar hoe je die legitimiteit weegt, daarover moeten we nu het hoofd eens breken.

Ik zou het al heel prettig vinden als gemeentebestuurders ophielden met kaderstellen, en vragen gaan stellen. Nieuwsgierig afdalen. Kijk wat er nu goed gaat, welke mensen het nu doen, en versterk dat, sluit in je plannen daarop aan, in plaats van dat jij hen inlijft in jouw beleidsambities.

Want ik zeg het nog maar even streng: burgers zijn er niet om bestuurlijke ambities te helpen realiseren.

En heb je als bestuurder twijfels over een plan van zo maar een groep inwoners? Over uitsluiting, over risico’s, over representativiteit, over draagkracht, over duurzaamheid, over effectief besteden van publiek geld? Vraag ernaar. Wees als bestuurder kritisch maar niet onbetrokken.

Maar wees dan eerlijk, en leg die meetlat ook naast de eigen in het gemeentehuis verzonnen plannen. Want hoe representatief is een structuurplan dat getekend is door een blanke, hoogopgeleide mannelijke stedenbouwkundige eigenlijk?

Ga op onderzoek uit, en doe dan passende uitspraken en passende voorstellen. Want het probleem is niet langer alleen dat burgers niet goed betrokken worden bij wat het stadsbestuur wil doen. Een probleem van het lokale bestuur van de toekomst, is dat het bestuur niet langer betrokken wordt bij besluiten van burgers, organisaties en ondernemers.

We moeten op zoek naar een manier om die twee werelden te verbinden.

Juist initiatiefnemers missen een plek om publieke afwegingen te maken rond hun initiatief. Dat willen ze best – graag zelfs! Maar een partijpolitieke gemeenteraad is daar geenszins de juiste plek en vorm voor. De ontwikkeling die toekomst heeft, is zo veel mogelijk besluiten overhevelen naar de leefwereld. Daar de checks and balances bepalen en afwegingen maken. Daar politiek maken. Op een democratische manier. Als je dat doet, dan bouw je aan lokale governance in het netwerk. Die is er nu niet, we hebben er geen systeem voor, en we hebben dat keihard nodig.

Gemeentebestuurders en het ministerie van Binnenlandse Zaken moeten daaraan werken; dat is niet de eerste verantwoordelijkheid van zo maar wat losse burgers. Zij zijn systeemverantwoordelijke daarvoor (potverdrie!).

En lokale governance zit hem niet alleen in rollen en verantwoordelijkheden. Die zit hem ook in onze werkvormen, routines en documenten. Vaak zit het hem letterlijk in een afspraak maken om erover te praten.

Elkaar als gemeenschap in een andere setting dan de raadszaal treffen voor openbare publieke besluiten, en ook, als gemeentebestuur, niet alleen nadenken over de inhoud van voorstellen, maar ook over het proces waarin die plannen tot stand kwamen en uitgevoerd gaan worden, en nadenken over de relaties die je daarmee knoopt en niet, de gemeenschap die je daarmee bouwt.

Daarover nadenken, en praten, kost tijd, en die tijd kunnen bestuurders reserveren op hun agenda. Wethouders kunnen tijd van de raad daarvoor claimen, door vaker een procesvoorstel naar de raad te sturen, in plaats van een beleidsvoorstel. Of door een netwerkverkenning te doen, in plaats van een beleidsevaluatie. Griffiers kunnen daarom vragen. Ambtenaren kunnen het ongevraagd toch leveren. Lok het nieuwsgierig afdalen bij elkaar uit.

Welke ontwikkelingen hoop ik dus, met mijn actieve burgerpet op, te zien de komende jaren?

  • Ik wil graag een bureaucratie die door mijn bestuur superstrak wordt aangestuurd op lerend vermogen.
  • Ik hoop bewegende geldstromen te zien die maatschappelijke energie zo goed mogelijk volgen.
  • En, passend bij een lerende bureaucratie met meebewegende geldstromen: naar een structuur voor governance in het lokale netwerk – die is er nu niet en die hebben we keihard nodig om de nieuwe checks en de oude balances met elkaar te kunnen gaan wegen.

PS Wat de sessie heeft opgeleverd? Een manifest. En jullie herkennen na lezen van dit stuk ook de titel ergens van. Lees maar hier ‘Gezamenlijke aanzet tot een vernieuwd lokaal bestuur‘.