Het goede gesprek over geld op scholen

Vorig jaar hebben we de resultaten van het onderzoek ‘Geldstromen door de school‘ gepubliceerd, beginnend met een groot artikel in de Volkskrant. Een onderzoek naar alle geldstromen in het primair onderwijs, bekeken vanuit een heel gewone basisschool in Leiden, die van mijn kinderen.

Inmiddels heb ik er een jaar op zitten van vertellen, lotgenotencontact, nog eens een interview hier en daar, een geweldige avond in Pakhuis de Zwijger, wat meedenken met ambtenaren en andere betrokkenen zoals Kamerleden, en natuurlijk ook eigen denkwerk. Dit stuk is daar de tussenstand van.

Lid van een GMR aan een bestuurder: “Kunt u een toelichting geven op deze begroting? Enige antwoord van de bestuurder: “Er gaat niet meer uit dan erin komt.” — helaas een recent citaat

Al snel heb ik voor mezelf besloten dat ik mijn tijd het beste kon besteden door me te richten op de (mede)zeggenschap: leerkrachten en ouders die op school of op bestuursniveau invloed kunnen uitoefenen op keuzes en uitvoering op scholen.

Er is een wetswijziging in de maak, die de MR (leerkrachten en ouders) instemmingsrecht geeft op de begroting in plaats van alleen maar adviesrecht.

Die wet biedt kansen.

En daar heb ik wel wat gedachten over, die ik ergens in het voorjaar al eens naar een ambtenaar van het ministerie stuurde. Maar wie weet helpt het anderen ook.

Ik zet hieronder dan ook – rijp en groen door elkaar – op een rij wat het Rijk in mijn ogen, naast heldere boekhoud-indicatoren als de hoeveelheid reserves, de solvabiliteit en ‘of er niet meer uit gaat dan erin komt’, zou kunnen verwachten/verlangen van het goede gesprek over geld en het versterken van de positie van schoolleiders, leerkrachten en ouders daarbij.

Daaronder zitten veronderstellingen over ‘het goede gesprek over geld op school’, waaraan ook schoolleiders, bestuurders en hun bureaus, raden van toezicht (joehoe! waar zijn jullie in deze discussie!), inspectie en gemeenten hun bijdragen kunnen (moeten) leveren. Dus pak er vooral uit wat past.

Verderop probeer ik dat al wat te gieten in vragen die je op schoolniveau zou moeten beantwoorden in een begrotingscyclus en wat je dan als OCW in mijn ogen daaraan zou kunnen doen – niet gehinderd ben ik daarin in wat voor wettelijke belemmeringen of heilige huisjes of hoe we dat in de polder allemaal tot nu toe hebben gemedezeggenschapt. (Noch door afspraken in de huidige coalitie over de onaantastbaarheid van ‘het stelsel’, waardoor we in deze tijd van onderwijscrisis alleen maar lapmiddelen en ad hoc voorgeschoteld krijgen, maar dat is voor een andere keer.)

Disclamer: Ik heb weliswaar fiks wat lokaal-democratische expertise, maar ben nog steeds Alice in Onderwijsland, dus sla vast ook planken mis. Doe er dus mee wat je goeddunkt!

Vooraf wat gedachten

Het goede gesprek over geld op school combineert twee vrij eenvoudige concepten: een begroting en het gesprek. Met als doel: goed onderwijs voor leerlingen en goed werk voor leerkrachten. Het “algemeen belang op schoolniveau”.

Een heldere schoolbegroting geeft antwoord op drie simpele vragen: 

  1. wat hebben onze leerlingen en het team (dit jaar) nodig?
  2. wat moet de school (dit jaar) doen om dat te kunnen bieden? en
  3. wat mag en zal dat (dit jaar) kosten?

Het gesprek daarover is goed als het een hoge democratische kwaliteit heeft: 

  • zo inclusief en transparant mogelijk;
  • met goede deliberatie;
  • een passende verdeling van de zeggenschap (wie mag wat besluiten en beinvloeden) 
  • met oog voor de benodigde vaardigheden en (voor)kennis die nodig is om deel te nemen — en dus met het feit dat MR’en steeds wisselen en bestaat uit leken; 
  • en graag ook een beetje rekening houdend met ieders beperkte tijd.

Om deze combinatie van eenvoudige concepten voor elkaar te krijgen, is echter geen sinecure als je het schema van Geldstromen door de school voor je ziet; alles wat zit tussen het Rijk en de klas. 

Al deze boven- en naast-schoolse belangen, betrokkenen en bolwerken (samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs, de gemeente, uitgeverijen et cetera) hebben allemaal invloed op de keuzeruimte in de schoolbegroting en op (de kwaliteit en de inhoud van) het gesprek erover.

Dat geheel passender schikken (noem het governance) is de opgave voor de komende jaren. (Of, wat cynischer: wanneer de onderwijspolder definitief is ingestort, moeten we iets klaar hebben staan dat beter werkt.) Maar in de tussentijd moeten we monter werken met deze structuur.

De verzilvering van al die bemoeienis met het onderwijs, moet je kunnen terugzien op de school zelf. Of het gelukt is, of aan het lukken is, kan dan ook alleen op en binnen de school zelf goed beoordeeld (en beïnvloed) worden. 

Wie dat beoordeelt? Dat is de ‘machtsvraag’ in het onderwijs: de vraag naar de verantwoordelijkheid en de zeggenschap/invloed en of die een beetje kloppen met elkaar. Is het (democratisch) in de haak wat we daar met publiek geld in het publieke belang aan het doen zijn? Leveren we de onderwijskwaliteit die we moeten leveren? Is wat we doen, in het ‘algemeen belang op schoolniveau’? Wat hebben we nodig om daar “ja” op te kunnen antwoorden? 

Wat Geldstromen door de school aantoont is een antwoord op de zeggenschapsvraag: het is beter als de positie van de schoolleider, het team en de ouders sterker is dan nu. De kwaliteit van het onderwijs wordt bepaald door de leerkrachten; de schoolleider is ervoor om hen in staat te  stellen die kwaliteit te leveren en als dat op orde is, ook in de ogen van ouders, zijn we hartstikke blij. En als iemand dat niet is, is het goede, open gesprek op school over keuzes en hoe die uitpakken, ook de beste plek waar je daar iets aan zou kunnen doen.

Adel verplicht: als je wettelijk regelt dat (G)MR’en meer te vertellen moeten krijgen (en wellicht is het interessant om scherper onderscheid te maken in MR en PMR) dan moet je hen ook ondersteunen. En als je werk maakt van het versterken van de positie van de (P/G)MR, dan moet je tegelijk de kans benutten om die van de schoolleider stevig te maken; ten opzichte van zijn bestuur en ten opzichte van de MR. Checks and balances! 

Daarnaast zou OCW scherper kunnen uitspreken wat een goede Raad van Toezicht van een school(bestuur) doet, waar zij zich mee moeten bemoeien en hoe zij geacht worden contact te onderhouden met (G/P)MR en loslopende ouders en ook: bepalen of de positie van schoolleiders ten opzichte van het bestuur in balans is. Opnieuw: de checks and balances! De RvT kan daarop toezien.

Afkijken mag

Wellicht kunnen we een beetje lering trekken uit de Vernieuwingsimpuls Lokaal Bestuur van 2000-2002 om te zien hoe er destijds gewerkt is aan de kwaliteit van de lokale volksvertegenwoordiging; op welke onderdelen er dan aan kwaliteit te winnen is. Vanzelf spreekt dat de Vernieuwingsimpuls en de versterking van de positie van schoolleider en MR verschillen, maar als de kapstok voor het verbeteren van de kwaliteit van de besluitvorming op scholen, kan het wel degelijk werken. 

De elementen daarvan kun je best behoorlijk toepassen op de versterking van de positie van zowel de (G)MR als die van schoolleider in het gesprek over keuzes en geld, en die vertalen zich dan in iets als:

  1. ontvlechting/verhelderingen van posities en bevoegdheden van schoolleider, (P)MR, team, bestuurder, raad van toezicht; 
  2. (publieke) verantwoording; 
  3. bovenschoolse belangen, betrokkenen en bolwerken: hoe regel je de zeggenschap van scholen daar (goed) of breng je die naar scholen toe? (bijvoorbeeld de OPR, het medezeggenschapsorgaan bij het samenwerkingsverband voor passend onderwijs – ja, die bestaat)
  4. de rol van de ouders (in de (G)MR)

Ik kan me voorstellen dat invullen van deze vier elementen kan helpen om te komen voorbij ‘wie heeft welk mandaat, hoe verankeren we dat heel precies in een wet en welke bureaucratische/boekhoudkundige vereisten stellen we dan?’.

Daarnaast kun je kijken welke inspanningen er destijds door de minister van BZK, als systeemverantwoordelijke voor het lokale bestuur, verricht zijn om te bevorderen dat decentraal verantwoordelijkheid is genomen voor het versterken van de positie van het lekenbestuur aldaar. En hoe daarop is toegezien sindsdien. Het zou zo maar perspectief kunnen bieden voor OCW als systeemverantwoordelijk ministerie voor (de democratische kwaliteit in) het onderwijs.

Waar zou je dan het gesprek over kunnen voeren? En wanneer?

En dan praktisch: op school in gesprek over geld

… dat begint met het onderscheid tussen begroten en boekhouden. Begroten gaat over keuzes en de bestuurlijke en organisatorische dingen die je daardoor en daarvoor moet doen, vertaald in financiële consequenties van en voorwaarden voor die keuzes.

Boekhouden is de correcte administratie ervan, inclusief financiëel jargon. Dat is nauwelijks interessant voor een (G)MR, maar moet gewoon netjes gebeuren. Met de boekhouder moet je je alleen bezighouden als de boekhouder vaker dan de bestuurders of schoolleider aan het woord is over waarom bepaalde keuzes goed zijn. Daar is hij/zij niet voor.

Start met…

Een kijk op de buurt, de school, de leerlingen (noem het visie en missie voor mijn part)

Wat zien we om ons heen gebeuren? Wat is de opgave op onze school? Wat is er hetzelfde,  wat is er veranderd? Wat hebben onze leerlingen en leerkrachten dit jaar (extra) nodig? Geen grote verhalen, maar samen duiden en kort en bondig vertellen.


Mogelijke rol OCW

Vanuit OCW kun je voorbeeld-begrotingen maken waarin de kopjes staan en de vragen waarop je dan antwoord kunt zoeken met elkaar. Suggesties voor hoe dit eruit kan zien, kun je volgens mij putten uit Naaijkens/Bootsma ‘Wat als we nu weer eens gewoon gingen lesgeven’ .


en daaruit volgen dan…

De ‘hoofdlijnen’

Waar geven we dit jaar prioriteit aan? Wat zijn grotere thema’s? Wat zijn stokpaardjes en andere belangrijke details?


Mogelijke rol OCW

Om te voorkomen dat de Tweede Kamer, OCW of een bestuur (top down) gaat bepalen wat belangrijk is op een school (en wat dus ‘hoofdlijnen’ zijn en wat niet), kun je voorschrijven dat ‘hoofdlijnen’ zijn: die thema’s/opgaven/vraagstukken/ambities waar de school prioriteit aan geeft, gegeven hun kijk op de buurt, de school en de leerlingen (visie en missie).


Wie neemt welke besluiten?

Als er een aantal zaken prioriteit krijgt, volgt daaruit dat je kijkt welke partijen binnen en (waar dat aan de orde is) buiten de school aan tafel moeten om keuzes te maken of die voor te bereiden. Soms gaat het alleen om een (expert)leraar en het team, soms gaat het om een breed palet aan betrokkenen, van het bestuur en de gemeente tot ouders/MR, van uitgevers tot aanbieders van iets wat je zelf niet kunt of wilt leveren (van servicecontract tot loopbaanontwikkeling).

Dit bepaalt nogal hoeveel tempo je kunt maken en hoeveel tijd goede keuzes vragen; hoeveel geld je eraan kunt/wilt/moet uitgeven moet wel kloppen met je ambitie (anders is het gebabbel). Allemaal afhankelijk van waar je (extra) werk van wilt maken dit jaar. 

Het gaat hier over de domeinen en mandaten: waar ga je je als MR druk over maken, wat hoort primair bij het team, waar moet je de gemeente bij halen et cetera.


Mogelijke rol OCW

De aspecten A, C en D hierboven komen hier met name aan de orde: wat zijn de domeinen en mandaten, zijn die helder en slim, en in hoeverre kun heb je dat als school zelf in de hand (regel dat) of niet (laat dat – door OCW bijvoorbeeld – regelen)? 

  1. OCW kan in algemene zin beter in beeld brengen welke geldstromen er zijn in welke domeinen, en hoe die worden verdeeld (mandaten), maar dan wel gezien vanuit het perspectief van een school. De school zelf kan dan, passend bij hun prioriteiten, beter zien waar ze aan welke touwtjes moeten of kunnen trekken.
  2. In de tweede orde kun je als OCW onderzoeken en constateren waar dat nodeloos ingewikkeld is, of zelfs meer kost dan oplevert, en geldstromen en de bijbehorende touwtjes om aan te trekken, beter organiseren. 

Op welke momenten doen we dat?

Er zijn in de P&C-cyclus logische momenten om als (G/P)MR je vinger op te steken en invloed te hebben of te eisen. En dat is niet alleen op het moment dat de begroting in je mailbak belandt. Sterker nog: op dat moment kun je hooguit nog controleren of je invloed tot iets heeft geleid…


Mogelijke rol OCW

OCW zou kunnen helpen die momenten in beeld te brengen. Stuur een nieuwsbriefje naar scholen uit a la ‘tuintips: wat je deze maand moet snoeien’ en dan op begrotings-gebied. Voorbeeld: in april/mei mag je een kaderbriefje verwachten van een bestuur waarin je vooruitblikt op het komende jaar, bijvoorbeeld, zodat je er met elkaar over kunt praten en goede besluiten kunt voorbereiden in het najaar. Wat zou je daarin kunnen verwachten? En welke indicatoren (functiemix-website? jaarrekening vorig jaar? wat is er eigenlijk allemaal al?) kun je op welke manier benutten om al scherper daarop te gaan sturen? 


Wat zijn de documenten (uit de begrotings-cyclus of misschien daarbuiten) waarin/waarmee de keuzes gemaakt worden, en wanneer dan? 

Wanneer je dingen ‘op geld gaat zetten’ maak je de keuzes concreet. Welke gegevens in welke documenten zou je als (G)MR op een rijtje moeten hebben? Documenten van de school, van het bestuur, van de gemeente, van het passend onderwijs, van OCW, van de inspectie, van het CBS, van…?


Mogelijke rol OCW 

Stuur primair op bruikbare en leesbare stukken voor schoolleider, leerkracht en MR, niet op bruikbare cijfers voor landelijke vergelijking. Dat laatste moet uit het eerste volgen, niet andersom. Zo maar aggregeren heeft niet veel zin, pakken papier maken die niemand leest ook niet, maar slim vergelijken en her en der wat naming en shaming wellicht wel 🙂


Op welke vragen moet je dan op welk moment een antwoord ‘over geld’ hebben, 

Uitgaand van de hoofdlijnen/prioriteiten van de school zijn dat vragen als:

  • wat iets kost of moet kosten?
  • iets met aantallen?
  • hoeveelheid uitgegeven geld?
  • resultaten?
  • ontwikkelingen en trends?
  • waar kan wie naar vragen?
  • waar komt het geld vandaan?
  • waar slaat de winst neer?

Mogelijke rol OCW

Helpen met goede voorbeelden van scholen die dat in de smiezen hebben, en meenemen in het Tuintip-nieuwsbriefje.


Waaraan zien we dat het lukt? 

  • Wanneer kijken we daarnaar?
  • Geven we het geld goed uit en aan de goeie dingen?
  • Hoe en wanneer sturen we (bij)?
  • Als we hebben ingezet op, bijvoorbeeld, beter begrijpend lezen en daar extra tijd/budget voor uitgeven,  waaraan gaan we dan zien dat het zinvol besteed geld is? 

Mogelijke rol OCW

Helpen met zinvolle indicatoren vinden. Ervoor zorgen dat zaken meetbaar, merkbaar dan wel jureerbaar zijn. En daarin ondersteunen dat scholen leren van elkaar. Niet (alleen) door ze uit te nodigen om ergens op een gezamenlijke plek samen te komen, maar door leerzame zaken actief naar scholen en hun (G)MR te brengen en schoolbesturen er zelf ook naar te vragen. Zoals eerder al gezegd: niet primair sturen op het aggregeren van gegevens op landelijk niveau, maar primair sturen op het hanteerbaar maken van gegevens op schoolniveau, daarna kijken in hoeverre je kunt helpen bij het onderling vergelijkbaar maken, en pas in laatste instantie te kijken wat je daaruit kunt afleiden voor landelijke inzichten van Kamer of anderszins.


Tot slot een gedachte

De vrijheid van onderwijs leidt tot diversiteit en daagt uit tot gemeenschapsverantwoordelijkheid voor de invulling van onderwijs. Ik vind dat een groot goed en iets wat te koesteren is. Maar de bestuurlijke en facilitaire organisatie van onderwijs kan best neutraler, terwijl scholen zelf tjokvol identiteit zitten. Juist als scholen tjokvol identiteit zitten.

Het zou mooi zijn als we artikel 23 koesteren, en kijken hoe we juist door daar slim invulling aan te geven, ruimte bieden aan de diversiteit tussen scholen en zeggenschap over onderwijskeuzes op scholen. Slim invullen betekent dat je het bovenschoolse ‘aanbodgestuurd’ maakt: wat hebben scholen nodig om hun doelen waar te maken? Dat moeten besturen gaan leveren. Alles wat daar niet aan bijdraagt, en waar dus geen vraag naar is (projecten assorti), daar zullen we mee stoppen.

Doen we dit niet, dan keert de markt het schip. Dan zal de verandering ook ‘vraaggestuurd’ gebeuren, maar dan alleen voor mensen met geld, en gaan we de enorme groei zien van particulier onderwijs en een gelijktijdige uitholling van ons onderwijs voor alle kinderen.


Benieuwd ben ik naar reacties! Stuur ze naar marije@democratieinuitvoering.nl of reageer op twitter @marije!